Trump en het terrorisme

22 Feb

Net een jaar geleden is op dit blog een en ander geschreven over Trump’s immigratiebeleid. Het ging toen om het verbod van toegang c.q. immigratie van moslims uit enkele geselecteerde landen waar Trump c.s. geen zakelijke belangen hadden. Trump maakte daarbij handig gebruik van de onderbuikgevoelens van zijn kiezers, de angst voor de vreemdeling. Nu onlangs is immigratie weer toegestaan voor 11 landen, Egypte, Irak, Mali, Somalië, Soedan, Yemen, Iran, Libië, Zuid Soedan, Syrië, en Noord Korea (!). Wel met strenge toelatingscriteria.

Kennelijk is de angst voor terroristen weer wat gezakt. Uit data genoemd in het vorige artikel bleek al dat de kans op dood in de VS door terroristen vrijwel nihil was. Onder de 11 landen zijn er meerdere met een islamitische meerderheid. Hoogste tijd om zich te wenden tot de eigen Amerikaanse terroristen.

Het zijn niet die terroristen die verantwoordelijk zijn voor de aanslagen op scholen; het is die ingebakken simpele verkrijgbaarheid van wapens en het kennelijk gemak waarmee wapens worden gebruikt. Naast de 16.000 moorden zo’n 40.000 zelfmoorden per jaar door vuurwapens, in totaal 56.000 doden. Dat systeem is dus moordend, daarin zit de ware terrorist die massaal moordt. En iedereen die dat systeem steunt heeft bloed aan zijn handen. Na iedere moordpartij groeit de wapenverkoop, een haast automatische reflex, die het systeem in stand houdt. Trump wil nu na de aanslag in Florida notabene het schoolpersoneel laten bewapenen, hoegenaamd om potentiële idioten te beletten de leerlingen te vermoorden. Mooie winst voor de wapenindustrie en een garantie voor nog meer ongelukken en doden. Zou je je kind naar zo’n school sturen?

Alleen als er op een school doden vallen laait de discussie over wapen restrictie telkens weer kort op. Het gaat dan niet over die miljoenen wapens, maar over die lunatics die een wapen gebruiken, volgens de wapenindustrie. Over die andere tientallen duizenden doden hoor je niemand. En ze laten het toe, de Amerikanen, deze massaslachting, een kwestie van beschaving?  In goed 25 jaar net zoveel doden door vuurwapens dan in alle Amerikaanse oorlogen bijeen, vanaf de onafhankelijkheidsstrijd.

Geboortecijfer in de VS is 12,5/1000 inwoners (Nederland 10,9/1000), het sterftecijfer staat nu op 8,5/1000 inwoners (Nederland 8,9/1000). Inclusief immigratie bedraagt de bevolkingsgroei 0,81% per jaar (Nederland 0,39%). Er komen dus nog steeds wat Amerikanen bij, zo’n 2,5 miljoen per jaar. Tja, dan mis je die 56.000 per jaar niet echt.

Advertenties

Hernieuwbare energie in België -houtkachels in Vlaanderen

21 Feb

open haardvuur

Na de vorige post over hernieuwbare energie in België is een artikel verschenen van de nieuwsredactie van de zender VRT met als titel

“Houtkachels zijn onze grootste maar tegelijk meest vervuilende bron van hernieuwbare energie”.

Daarin wordt uitgebreid stilgestaan bij de werkelijke emissies van houtstook, zowel op industriële schaal als door privé houtkachels en open haarden. De kloof tussen  de emissieconcentraties van biomassacentrales en van houtkachels is niet alleen groot qua wettelijk toegestane grenswaarden, maar zelfs factoren groter in werkelijkheid. Het artikel is te lang om hier in detail te worden overgeschreven. Ga zelf kijken bij de VRT.

 

 

Hernieuwbare energie in België: status quo

2 Feb

Na een overzicht van de status quo in Nederland wordt het interessant om ook even in België te kijken. Maar vooraf een beeld van de discussie over de in België bedachte energietransitie.

Bij onze zuiderburen wordt gediscussieerd over het zogenaamde Energiepact. Het is de Belgische versie van de energietransitie om op termijn te voldoen aan de criteria van het Parijse klimaatakkoord en de overgang naar hernieuwbare energiebronnen te bewerkstelligen. De eind 2017 met een burgerbevraging  breed uitgezette discussie van heet Energiepact woedt nog voort. Het is niet alleen een kwestie van technologie, maar zoals zo vaak ook een politieke kwestie. Uit die online bevraging zijn in dit kader een paar interessante gegevens naar voren gekomen. Centraal staat de vraag hoe de nucleaire elektriciteit kan worden vervangen. Er is wettelijk vastgelegd om die per 2025 te stoppen. Nu bedraagt dat 50% van de elektriciteitsbehoefte. Als dat werkelijk gebeurt, dan moeten andere bronnen die behoefte kunnen dekken. Hoe denken onze zuiderburen daarover? Per vraag van de online enquête varieerde het aantal antwoorden tussen de 30000 en 34000.

België keuzes alternatieve energiebronnen

Als het aan deze antwoorden (30680 voor deze vraag, meerdere antwoorden mogelijk) ligt schakelt België massaal over op hernieuwbare energie. In de energiemix is ook veel aandacht voor voldoende opslagmogelijkheden. Een kleiner aantal antwoorden ziet het ook wel zitten met nucleaire en fossiele bronnen. Andere mogelijkheden scoren lager. Opvallend zijn de aantallen tegenstemmers bij nucleair en fossiel, zelfs tegen import zijn nog stemmers te vinden. Inzoomen op de categorie hernieuwbare energie geeft het volgende beeld:

België keuzes alternatieve energiebronnen_1

De stemming is hoofdzakelijk verdeeld over zon en windkracht. Andere bronnen worden nauwelijks genoemd. Tegenstemmen zijn verwaarloosbaar.

Tijdlijn

Voor de geplande afschakeling van de kerninstallaties is 2025 in termen van geschikte vervangende technologie wel erg kort dag. Niet alleen vanwege de techniek, maar ook door de maatschappelijke en politieke processen om tot een succesvolle omschakeling te komen. Vergunningverlening voor grootschalige installaties kosten jaren, en dan gaat men uit van bestaande en beproefde technologie. En zo ver is men nog lang niet. De 50% voorziening kan dan ook nauwelijks uit hernieuwbare bronnen komen. Een vervanging door gas gestookte centrales voor de basis belasting is in principe technisch wel mogelijk, maar nauwelijks haalbaar. Maar dan worden de klimaatdoelstellingen ver naar de toekomst verschoven. En de verwachte grote reductie van het Gronings gas zal ook niet helpen, nu importeert België ongeveer een derde van die productie.

Komt nog bij dat de grootste regeringspartij de N-VA en de grote industriële verbruikers het sluiten van de kerncentrales in 2025 niet willen. Liefst zouden die nog 10 jaar extra moeten open blijven. Zij baseren zich op een kosten onderzoek van Energyville van vorig jaar. Daaruit bleek dat het open houden van de twee centrales zo’n 600 miljoen euro per jaar zou opleveren. In een gisteren gepubliceerde update klinkt de conclusie alweer anders:

“De scenario’s tonen aan dat door de verlenging van 2 GW kerncentrales tussen 2025 en 2035 de jaarlijkse kosten van het Belgische elektriciteitssysteem zo’n 4% lager liggen. Na definitieve sluiting in 2035 stijgen de kosten echter minstens tot op hetzelfde niveau als in de scenario’s met sluiting in 2025. De gasprijs speelt een veel crucialere rol in de jaarlijkse kosten en ook met nucleaire verlenging zijn gascentrales noodzakelijk.”

De gasprijs zal echter vermoedelijk weer stijgen als de Groningse productie wordt gehalveerd. Andere gasbronnen zijn redelijk onzeker, denk aan de Russische. En zo draait de discussie weer rond.

Status quo hernieuwbare energie

Wat is nu de status quo van hernieuwbare energie. Die is weer te vinden in de Eurostat data.

België staat vierde van onder in de rangschikking van het aandeel hernieuwbare energie in het totale pakket, vlakbij Nederland als voorlaatste van de EU-28 lidstaten. Een licht betere score dus met 6,8% tegen 4,7% tegen een Belgische target van 13% (NL 14%).

Share of renewables in grossinland energy consumption

Hieronder dezelfde afbeeldingen als in het artikel over Nederland.

Share of electricity from renewable sources in gross electricity consumption,2004-2016 in % BE

Share of renewable energy sources in transport, 2004-2016 in % BE

Share of energy from renewable sources in gross final consumption of energy, 2004-2016 in % BE

De iets betere positie in vergelijking met Nederland is ook terug te vinden in de bovenstaande overzichten. Het aandeel van hernieuwbare energie in België uitgedrukt in aandeel van hernieuwbare bronnen in het elektriciteitsverbruik ligt net boven de helft van het EU-28 gemiddelde, 15,8 % tegen 29,6 % voor 2016, en loopt parallel aan de gemiddelde EU-28 trend. In de transportsector wordt de Europese ontwikkeling gevolgd, op een vergelijkbaar dipje na, net als in Nederland. Voor wat betreft het totale energieverbruik volgt de Belgische trend die van het EU-28 gemiddelde, zij het eveneens als voor Nederland op grote afstand.

Er valt dus nog veel te doen om de Europese en klimaat doelstellingen te bereiken en het lijkt weinig waarschijnlijk, dat de omvangrijke nucleaire bijdrage in België binnen pakweg 10 jaar zal zijn vervangen door hernieuwbare energiebronnen. De discussie in België is niet eenvoudig gelet op de verdeelde bestuurlijke verantwoordelijkheden en wisselende inzichten van de politiek en belanghebbende industrieën. Voeg daarbij de publieke onrust door de weerstand tegen de kerninstallaties in het land zelf en  in de aangrenzende regio’s van Nederland en Duitsland. Dat zet de discussie extra onder druk. De energietransitie wordt een pijnlijk en kostbaar proces, dat is wel duidelijk.

Samenwerken aan nucleaire veiligheid

31 Jan

Dat is de titel van een vandaag gepubliceerd rapport van de Nederlandse Onderzoeksraad voor Veiligheid (hier).

In de introductie tot het rapport stelt de raad op haar website:

“De Onderzoeksraad heeft onderzocht hoe Nederland met België en met Duitsland samenwerkt om een kernongeval te voorkomen en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Ook is onderzocht hoe de informatievoorziening aan burgers verloopt. De Raad is zijn onderzoek gestart naar aanleiding van onrust onder de bevolking over incidenten in de Belgische kerncentrales Doel en Tihange. De Raad heeft niet alleen deze kerncentrales, maar ook de kerncentrales Borssele (in Nederland) en Emsland (in Duitsland) in zijn onderzoek betrokken. 

 De kans op een ernstig kernongeval bij één van de genoemde kerncentrales is klein. Maar als zich een kernongeval voordoet, dan is het van belang dat de crisisbeheersing van de landen goed op elkaar is afgestemd. De Onderzoeksraad concludeert dat de samenwerking  op papier voor een deel is geregeld, maar als zich daadwerkelijk een kernongeval voordoet, deze waarschijnlijk niet goed zal verlopen.

 Om goed voorbereid te zijn op een kernongeval met grensoverschrijdende gevolgen is het noodzakelijk dat Nederland de samenwerking met België en met Duitsland verbetert. Naast het verbeteren van de crisisplannen, moeten de landen meer samen oefenen en organiseren dat ze de te treffen maatregelen en de communicatie hierover onderling afstemmen.”

Het rapport gaat in detail in op de gaten die er in de samenwerking zitten. Daarbij gaat de raad iets verder dan het rapport van de Belgische Hoge Gezondheidsraad in haar evaluatie over Fukushima.

Voor nu is het rapport nog te vers (en te dik) om al veel commentaar te geven.

Wat wel al prominent naar voren komt is het gebrek aan afstemming tussen de drie landen over aanpak van en communicatie over kernenergie in normale tijden en tijdens crisissituaties rond deze installaties. De organisaties rondom noodplannen zijn verschillend en opereren op verschillend mandaatniveau. Dat leidt tot afstemmingsproblemen.

Verontrustend is verder het grote gebrek aan oefeningen en aan kwalitatief goede oefeningen. Maar dat is al jaren zo, het thema is niet sexy, je scoort er niet mee als politicus, er is nauwelijks geoefend en gemotiveerd personeel voor dit soort exercities.

In nucleaire crisissituaties zal gegarandeerd paniek bij omwonenden uitbreken en dan helpen al die huidige en nieuwe protocollen nauwelijks. Op zo’n moment dient men elkaar op interregionaal niveau te vinden om praktische afspraken te maken. Veel bestaande kennis over elkaars installaties en procedures bij regionale overheden is verdwenen en grensoverschrijdende contacten over deze onderwerpen zijn verwaterd.

De Limburgse Gouverneur Theo Bovens is content met het rapport en stelt in zijn reactie:

“De aanbevelingen geven voldoende handvatten en uitdagingen om de (grensoverschrijdende) samenwerking verder te intensiveren en de gezamenlijke eenduidige voorbereiding op en afhandeling van een mogelijk nucleair ongeval verder vorm te geven.” En hij beveelt een Franse en Duitse vertaling van het rapport aan.

Die laatste opmerking mag wel wat breder. Het zou al een hele winst zijn als degenen die nu met elkaar moeten gaan overleggen, met elkaar gaan oefenen, en die in crisissituaties grensoverschrijdend moeten optreden, elkaars taal beheersen en elkaars cultuur begrijpen. Dat zou al heel wat communicatie problemen voorkomen. Maar ja, waar vind je die mensen? Wie spreekt er hier nog Frans en Duits? En hoe zit dat in onze buurlanden?

De bovengenoemde Belgische Hoge Gezondheidsraad pleitte in haar Fukushima-evaluatie voor de oprichting van een Europese Autoriteit. Misschien niet eens zo’n slecht idee om mee te starten, en een mooi puzzelstukje voor de hernieuwingsgezinde Europese Unie…..

 

 

Hernieuwbare energie in Nederland: status quo

27 Jan

Update 5 februari 2018:

Je kunt de hieronder volgende informatie ook anders brengen…..Zondag met Lubach over groene energie: https://t.co/n0AMxb5Cvu

share of energy from renewable sources in the EU-MS

Het aandeel hernieuwbare energie in Nederland blijft ver achter op de doelstellingen en al helemaal in vergelijking met de andere 27 EU lidstaten. Dat is onderzocht door Eurostat op basis van gegevens die de lidstaten aanleveren conform de Europese richtlijn 2009/28/EU over de bevordering van energiegebruik uit hernieuwbare bronnen.

Een overzicht van de data op Europees niveau geeft zo een eenduidige set, op basis van dezelfde definities. En Nederland scoort dus slecht, zoals bovenstaande grafiek laat zien. Op Luxemburg na zijn we de slechtste leerling, nog ver verwijderd van de EU doelstelling voor 2020, en die ligt op 20%. Voor Nederland ligt die target op 14% van het energiegebruik. Landen met weinig goedkope natuurlijke bronnen voor hernieuwbare energie, zoals Nederland, hebben een lagere doelstelling, wel bindend vastgelegd in het Nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen, ook voortvloeiend uit de genoemde richtlijn. Alle lidstaten hebben zo’n actieplan gemaakt.

In het Nationaal actieplan (2009) staan per sector de doelstellingen die moeten bijdragen om die 14% in 2020 te halen. Het CBS houdt bij hoe de bijdragen aan hernieuwbare energie zich ontwikkelen.

Uit de CBS-rapportage over 2015:

“Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik is in 2015 met 0,3 procentpunt gestegen ten opzichte van 2014. In 2015 was 5,8 procent van het energieverbruik afkomstig uit hernieuwbare bronnen.…..De meeste hernieuwbare energie, namelijk 70 procent, komt uit biomassa en 20 procent uit windenergie. De bijdrage van andere bronnen als waterkracht, zonne-energie, bodemenergie en warmte uit de buitenlucht, is beperkt.”

Het berekenen van de hernieuwbare energie gebeurt via het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO.nl en CBS, 2015). Het protocol kent drie berekeningsmethoden, waarvan de primaire-energiemethode wordt gebruikt voor de rapportages van Eurostat.  Alle betrokken instanties berekenen de verschillende bijdragen conform dezelfde rekenmethoden uit dat protocol, en die sluiten aan bij Europese aanbevelingen. Zo wordt bijvoorbeeld het energieverbruik van houtkachels op een uniforme wijze met een enquête geschat met een frequentie van eenmaal per 6 jaar. Voor de tussenliggende jaren doet TNO een modelberekening. De bijdrage van huishoudelijke houtstook komt overigens voor 2015 uit op rond 12%, en vormt daarmee overigens een belangrijke bijdrage.

aandeel renewables inland energy consumption

(2) The category “Biofuels and renewable wastes” includes wood and solid biofuels, liquid biofuels, biogas and renewable wastes

Uit het overzicht van Eurostat valt nog meer te leren. In de vergelijking tussen Nederland en het gemiddelde van de 28 EU-lidstaten blijkt waar we nog tekort schieten. De volgende afbeeldingen zijn afgeleid uit de achterliggende spreadsheet van Eurostat.

Share of electricity from renewable sources in gross electricity consumption,2004-2016 in %Share of renewable energy sources in transport,

Share of energy from renewable sources in gross final consumption of energy, 2004-2016 in %

Het aandeel van hernieuwbare energie uitgedrukt in aandeel van hernieuwbare bronnen in het elektriciteitsverbruik ligt belangrijk lager dan het Europees gemiddelde, 12,5 % tegen 29,6 % voor 2016, en mist deels de groeiende trend van de laatste. In de transportsector lijken we de Europese ontwikkeling te volgen, zij het iets minder in de laatste jaren. Voor wat betreft het totale energieverbruik volgt de Nederlandse trend die van het EU28-gemiddelde, zij het eveneens op grote afstand.

De grote achterstand kan niet eenvoudig worden ingelopen. In de Energieagenda van het Energieakkoord van de rijksoverheid staat hoe men denkt de doelstellingen van 2020 en 2050 te bereiken. Onder andere via het hernieuwen van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) door een injectie van 6 miljard, waarmee onder meer gekeken wordt naar de discutabele CO2 opslag.

Rutte III komt dit jaar nog met een nadere uitwerking. Erg vertrouwenwekkend is het beeld van de status en van de plannen echter niet, en dat beklijft.

« La République n’a pas besoin de savants ni de chimistes » 

19 Jan

Update 21 Januari 2018: 

Mooi aansluitend een artikel van Robbert Dijkgraaf in NRC van 19 Januari.

Aldus de beruchte apocriefe uitspraak van de Franse revolutionair en later rechter van het Tribunal Revolutionnaire Jean-Baptiste Coffinhal tijdens processen tegen de Fermiers General, een apart belasting heffend orgaan voor de Franse koning. Hij zei dat tegen een van de leden van dat orgaan Antoine Lavoisier, eminent geleerde, filosoof, econoom en algemeen beschouwd als vader van de moderne chemie. Lavoisier werd door Coffinhal ter dood veroordeeld en onthoofd met de guillotine, een lot dat Coffinhal – goede vriend van Robespierre overigens – drie maanden later met hem deelde.

In de Brexit campagne was Michael Gove –  nu Brits minister van milieu – degene die vergelijkbare uitspraken deed over experts; “We don’t need experts”, en “A post-Brexit Britain, we must hope, will be free of experts, and their insidious expertise.” (Telegraph, 10 juni 2016). Onder de Leave stemmers sloeg die houding wel aan. Onder deze pro-Brexit kiezers is wantrouwen van experts breed aanwezig.

In die tijd – en nog steeds – verzetten zich Britse deskundigen op een breed scala van gebieden tegen de Brexit, waarvan de gevolgen zwaar negatief werden en worden ingeschat. Maar die boodschap is niet welkom. De populisten hebben een hekel aan experts, behalve aan hen die ze voor hun politieke karretje kunnen spannen, of dat nou economen zijn of juristen. Autoritaire leiders idem,

En Trump voegt zich naadloos in dit beeld. Dat hij een hekel heeft aan wetenschappers is bekend, daar heeft hij ook goed mee gescoord als populist. Ook de benoeming van Pruitt als directeur van de EPA straalt dedain uit tegenover wetenschappers. Een jaar aan de macht en hij heeft nog steeds geen wetenschappelijk adviseur benoemd. Er is een apart bureau in het Witte Huis, dat zich bezig houdt met wetenschappelijke ondersteuning van de president, het White House Office of Science and Technology Policy, ingesteld in 1976.

Tot nu toe is er dus nog geen directeur voor dit bureau benoemd. Onder vorige presidenten waren dat als regel vooraanstaande geleerden, nogal eens fysici. Zij adviseren “evidence based”, ook als dat dwars ingaat op politieke voorkeuren. Het is de vraag of Trump zijn aanval op de ziekteverzekeringen, het opzeggen van het nucleaire akkoord met Iran, of de terugtrekking uit het Parijse klimaatakkoord had doorgezet als die adviseurspost was bezet. Nu figureert er een bankier zonder technologische achtergrond als vervanger. Helemaal griezelig wordt het als je bedenkt, dat Trump in zijn eentje zit te spelen met zijn grotere “nuclear button”, zonder enig besef wat een nucleair conflict betekent.

 

De KNAW over replicatieonderzoek

17 Jan

De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences) heeft zojuist een rapport “Replication studies – Improving reproducibility in the empirical sciences” uitgebracht over het systematisch herhalen van onderzoek van anderen, het repliceren van onderzoek met zoveel mogelijk dezelfde methoden en onder vergelijkbare omstandigheden. Het is een Engelstalig rapport met een Nederlandse samenvatting. Volgens de KNAW dient replicatieonderzoek normaler te worden.

Het herhalen van eerder onderzoek – liefst niet letterlijk, maar met een toegevoegde waarde – scoort nog steeds slecht. Liever blijft men gedreven door de usances van de tak van wetenschap, de publicatiedruk, gebrek aan waardering en financiën maar sleutelen aan nieuw onderzoek, dat vaak een snippertje kennis toevoegt aan bestaande kennis. In zoverre sluit dit onderwerp goed aan bij  het laatste blogartikel over kennis en wetenschap.

Citaat uit KNAW persbericht over het rapport:

“Wetenschappelijke kennis bouwt voort op eerdere resultaten. De laatste tijd echter blijkt dat veel eerdere resultaten in onder andere de medische wetenschappen, de levenswetenschappen en de psychologie niet gereproduceerd kunnen worden. Zwakke onderzoeksmethodes, gebrekkige verslaglegging en perverse prikkels zorgen er regelmatig voor dat twee dezelfde onderzoeken toch tot verschillende resultaten leiden. Zulk niet-reproduceerbaar onderzoek belemmert de wetenschappelijke vooruitgang en leidt tot verspilling van onderzoeksgelden. Bovendien kan het erin resulteren dat patiënten geen goede behandeling krijgen.”

Het beeld van reproduceerbaarheid van onderzoeken in deze takken van wetenschap is dramatisch slecht (Table 1 in rapport). Die situatie moet verbeteren en daarvoor doet de KNAW een aantal aanbevelingen naar onderzoekers, vakbladen en subsidieverleners. Citaten uit de conclusies van het rapport:

  • Improve study methods

Researchers should conduct research more rigorously by strengthening standardisation, quality control, evidence-based guidelines and checklists, validation studies and internal replications. Institutions should provide researchers with more training and support for rigorous study design, research practices that improve reproducibility, and the appropriate analysis and interpretation of the results of studies.

  • Improve study reporting

Funding agencies and journals should require preregistration of hypothesis-testing studies. Journals should issue detailed evidence-based guidelines and checklists for reporting studies and ensure compliance with them. Journals and funding agencies should require storage of study data and methods in accessible repositories.

  • Create proper incentives

Journals should be more open to publishing studies with null results and incentivize researchers to report such results. Rather than reward researchers mainly for ‘high impact’ publications, ‘innovative’ studies and inflated claims, institutions, funding agencies and journals should also offer them incentives for conducting rigorous studies and producing reproducible research results.

  • Improve information-sharing

The above recommendations on study reporting also hold for replication studies: funding agencies should require preregistration of hypothesis-testing studies, and journals should issue reporting guidelines and require repositories for data and methods.

  • Improve know-how

Researchers should share best replication practices and the resources (e.g. methods, software, materials, samples, detailed analysis plans) required to conduct a particular replication study. Institutions should teach researchers how to design replication studies and assess reproducibility.

  • Create better incentives

Funding agencies should increase funding for replication studies (e.g. by setting up programmes that allocate money specifically to replication studies and by requiring researchers to include replication in their individual proposals). Journals should encourage the submission of replication studies. Institutions should properly credit replication studies in career evaluations.

Dit rapport van de KNAW sluit ook aan bij de visies van andere wetenschapsorganisaties, zoals de National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine, om meer openheid in wetenschappelijk onderzoek te bevorderen. Maar zoals opgemerkt tijdens een discussie over het rapport, kan dat best nog veel moeite kosten, omdat met name oudere hoogleraren – de zilverruggen in de wetenschap – daar moeite mee zouden hebben.