Waait het tegenwoordig harder?

5 dec

Opmerkelijk bericht over toename van de windsnelheid. In een artikel in Nature Climate Change wordt aangegeven dat de wereldwijde windsnelheid boven land in de laatste decade is toegenomen. Titel: “A reversal in global terrestrial stilling and its implications for wind energy production”. Het artikel zit achter pay-wall, maar hier is het abstract:

“Wind power, a rapidly growing alternative energy source, has been threatened by reductions in global average surface wind speed, which have been occurring over land since the 1980s, a phenomenon known as global terrestrial stilling. Here, we use wind data from in situ stations worldwide to show that the stilling reversed around 2010 and that global wind speeds over land have recovered. We illustrate that decadal-scale variations of near-surface wind are probably determined by internal decadal ocean–atmosphere oscillations, rather than by vegetation growth and/or urbanization as hypothesized previously. The strengthening has increased potential wind energy by 17 ± 2% for 2010 to 2017, boosting the US wind power capacity factor by ~2.5% and explains half the increase in the US wind capacity factor since 2010. In the longer term, the use of ocean–atmosphere oscillations to anticipate future wind speeds could allow optimization of turbines for expected speeds during their productive life spans.”

Uit de uitgebreide toelichting onder het abstract blijkt, dat de auteurs zich baseren op maandgemiddelden, gemeten en gemodelleerd. De auteurs geven overigens alle gebruikte informatie zoals bronnen voor de data en codes goed aan. Hun conclusie is ongeveer 17% meer wind in krap 10 jaar, dat is een forse vermeerdering.

In een commentaar van Technisch Weekbladvan 3 december 2019 staat:

“Onderzoek in Nature Climate Change wijst erop dat windsnelheden wereldwijd sinds 2010 flink zijn toegenomen nadat ze in de decennia daarvoor juist gedaald waren. Als de dalende trend had doorgezet zouden windsnelheden aan het einde van deze eeuw ruim 20% lager liggen en zou het potentieel voor windenergie volgens de auteurs gehalveerd zijn. Die daling (‘terrestrial stilling’) werd toegeschreven aan urbanisatie en herbebossing, waardoor het aardoppervlak meer reliëf krijgt en wind remt.

De onderzoekers schrijven de toenemende windsnelheden van het afgelopen decennium toe aan veranderende stromen in oceanen en de atmosfeer. Volgens de auteurs is de toegenomen capaciteitsfactor van windturbines in de VS voor de helft toe te schrijven aan hardere wind.”

Dat roept direct de vraag op of de wind in Nederland ook zoveel is toegenomen. Het zou voor de eigenaren van windmolens een mooie winst aan capaciteit betekenen. Maandgemiddelde windsnelheden zijn niet direct te vinden. Het KNMI heeft in haar tabellen  wel daggemiddelde waarden (code=FG), waaruit maandgemiddelden kunnen worden berekend. Voor een vergelijking zijn vijf KNMI stations genomen met een lange tijdserie en verdeeld over het land: Maastricht, Vlissingen, Eelde, De Bilt en De Kooy. Drie stations op het land, twee aan de kust. De data van deze vijf stations zijn gehomogeniseerd, en dat maakt ze beter geschikt voor klimaatanalyses, aldus het KNMI.

Periode 1960-2019

Er is een overzicht gemaakt van de maandgemiddelden vanaf 1960, dan wordt een langere periode voor de eeuwwisseling nog meegenomen. Een beeld over een langere periode werkt altijd beter. En we rekken de periode op tot in de eerste week van december. Alle berekeningen en grafieken zijn gemaakt met R.

maandgemiddelde windsnelheid 5 statations 1960-2019

In de grafiek is een smooth trendlijn opgenomen met een betrouwbaarheidsinterval van 95%. Uit de grafiek van de vijf stations blijkt niet direct een grote verschuiving in de gemiddelde windsnelheden gemeten op  de vijf KNMI stations, uiteraard buiten de seizoenverschillen. Bij De Kooy lijkt op het oog wel iets aan de hand. Bij de andere stations zijn lichte veranderingen, zowel stijgingen als dalingen te zien. Voor de duidelijkheid is voor Maastricht de grafiek nog eens apart opgenomen.

maandgemiddelde windsnelheid Maastricht 1960-2019

Daaruit blijkt een golvende beweging tot de jaren negentig, daarna zakt de gemiddelde windsnelheid duidelijk. Over een nog langere periode zijn naast geleidelijke veranderingen door de jaren ook nog grotere abrupte veranderingen te zien in Maastricht. Verplaatsing van het station naar vliegveld Maastricht Aachen Airport is daarvoor onder andere een van de redenen.

maandgemiddelde windsnelheid Maastricht 1906-2019

Laten we eens kijken naar een lineaire trend. Met de Theil-Sen trend methode is een lineaire trend  voor de gemiddelde windsnelheid berekend. De trend over de 60 jaar van 1960 tot 2019 wordt dan:

tabel trend 1960-2019

De daling van De Kooy is opmerkelijk te noemen. Welke oorzaak of oorzaken daar aan bijdragen is onbekend.

gemiddelde windsnelheid de kooy 1960-2019 TheilSen

We kunnen constateren dat de gemiddelde windsnelheid voor de landstations en voor De Kooy zijn gedaald. Alleen Vlissingen vertoont een lichte stijging.

Laatste decade

De auteurs van het artikel hebben zich beperkt tot de laatste decade. Dat doen we dan ook maar. Eens zien wat dat uitmaakt voor de vijf stations.

maandgemiddelde windsnelheid 5 statations 2010-2019

Net als in de grafiek van de periode 1960-2019 is een smooth trendlijn berekend. Het 95% betrouwbaarheidsinterval heeft een iets lichtere kleur dan de betreffende lijn. Dat interval is zo smal dat het nauwelijks is te onderkennen. Een weinig wisselend verloop dus. Het lineaire verloop via de TheilSen methode is ook gering zo blijkt uit de berekening,

tabel trend 2010-2019

Maar wel overal een daling in de periode 2010-2019, de forse daling bij De Kooy over de periode 1960-2019 lijkt in de laatste decade af te zwakken.

gemiddelde windsnelheid de kooy 2010-2019 TheilSen

Uit de KNMI data blijkt dat de windsnelheid over een langere periode nogal eens wisselt. De conclusie uit het Nature Climate Change artikel dat de gemiddelde windsnelheid is toegenomen met zo’n 17% kunnen we voor Nederland niet delen op grond van deze data. Jammer voor de eigenaren van windmolen.

 

Energiedebat België: kerncentrales langer open houden

3 dec

Een volgend hoofdstuk in het energiedebat, nu weer in België. Eerdere artikelen over dit thema hier, hier, hier, hier, hier, en hier.

Hoofdpunt in het Belgische nieuws vandaag 3 december 2019: Ingenieurs pleiten voor het open houden van de jongste twee kerncentrales, om daarmee gemakkelijker de klimaatdoeleinden van 2050 te halen. In het bericht wordt de term “ingenieurs” gebruikt. Het is de Expertgroep Energie en Elektrotechniek van IE-net, de Vlaamse ingenieursvereniging, de Vlaamse pendant van het Nederlandse Koninklijk Instituut Van Ingenieurs (KIVI).  Typisch het niet vermelden van de term ”expert” in het nieuws, dat ligt kennelijk al te gevoelig, want aan experts heeft de politiek zoals bekend een hekel.

ingenieurs BE pleiten voor openhouden centrales

Vandaag 3 december 2019 wordt een energiedebat gevoerd door deze expertgroep op basis van haar eigen visienota “Energie in 2050” met zes strategische aanbevelingen door ingenieurs voor politici. Het is een update van een eerdere nota van dit jaar.

Het energieverbruik in België is in de jaren na de crisis van 2008 met 9% gedaald.

BE energieverbruik per sector 1990-2017

Figuur 3 Energieverbruik uit de nota. (Bunker: brandstof voor de internationale scheep- en luchtvaart; Transformatieverliezen: dit zijn vooral de warmteverliezen bij productie van elektriciteit; Feedstock: energiegebruik van energiedragers voor de vervaardiging van producten )

Deze daling van 0,8%/jaar is veel te laag om de klimaatdoelstelling te bereiken, er zijn daarom drastische maatregelen nodig. Een daling van 2%, voornamelijk door besparing op energieverbruik.

Om de klimaatdoelstelling te bereiken moet 85% minder CO2 worden geëmitteerd, dat betekent het verbruik terugdringen van 725 tot 250 TWh. Daarvan zegt de expertgroep: “Technisch is dit zeer ambitieus maar haalbaar, maatschappelijk en economisch is dit een trendbreuk die veel groter en ingrijpender is dan de trendbreuk van 2008.”

De expertgroep mikt vooral op technologische veranderingen, een tienmaal hoger aandeel van hernieuwbare  bronnen , maar ook het gedrag van de consument dient te veranderen.  Leveringszekerheid wordt op termijn een probleem, mede door de ontwikkelingen in Duitsland  (kernenergie en kolen stop) en Nederland (kolen stop, aardgas reductie). Dat noopt tot grote(re) buffers bijvoorbeeld voor aardgas en waterstof, die er nu nog onvoldoende zijn. Dat moet ook voorkomen dat het land qua energievoorziening plat gaat in een situatie, zoals dreigde in januari 2018 waar het in grote delen van NW-Europa nauwelijks waaide en de zon niet scheen gedurende twee weken, een zogenaamde Dunkelflaute.

Op grond van hun analyse geven zij 6 strategische aanbevelingen (uit de nota):

  1. Investeer in onderzoek & ontwikkeling en opleiding
  2. Investeer in infrastructuur: invoer, transport en opslag van energiedragers van de toekomst
  3. Faseer de kernuitstap: laat Doel 4 en Tihange 3 langer open om de transitie te faciliteren, hou zoveel mogelijk technologische opties open
  4. Investeer in langetermijnbeleid in een Europees kader
  5. Versnel gedragswijzigingen: ruimtelijke ordening, renovatie, mobiliteit, kringloop- en deeleconomie…
  6. Voer geleidelijk een minimum CO2 taks in op alle fossiele energiedragers

Eigenlijk allemaal inmiddels vertrouwde termen, niet alleen gericht op technologie, maar ook op maatschappelijke kwesties. Nieuw is het pleidooi voor het openhouden van kerncentrales.

De expertgroep is dus voorstander van het openhouden van Doel 4 en Tihange 3, samen goed voor 16 TWh per jaar. Bij de andere units speelt de kwestie van de waterstofblaasjes, ofwel de scheurtjes. Een te groot (en te snel doorgevoerd) aandeel van aardgas centrales ter vervanging doet afbreuk aan de CO2 doelstelling

Het toekomstplaatje van de energievoorziening in België voor 2050 ziet er dan zo uit, figuur 9 uit de nota (hier is voor kernenergie nog de wettelijke status van sluiting in 2025 aangenomen):

energievoorziening BE in 2050

Het gat van de kernenergie zou dan via aardgas worden opgevuld, de fuelmix wordt dan in 2050 als volgt: hernieuwbare energie 135 TWh en gas 115 TWh, samen de beoogde 250TWh:

evolutie hernieuwbare energie BE

Het langer openhouden van de kerncentrales geeft in dit scenario meer speelruimte.

 

Nieuwe windparken voor de Nederlandse kust

28 nov

Ook in Nederland wordt gewerkt aan de groei van windmolenparken. Op land is er maar weinig ruimte in ons dichtbevolkt landje. Net als in Denemarken ligt uitbreiding offshore voor de hand.

Hollandse Kust Zuid project

Op zo’n 30 km uit de kust in de Noordzee worden vier windmolenparken met een capaciteit van ongeveer 1,5 GW gerealiseerd door de firma Vattenfall. Vattenfall heeft de twee uitgezette tenders in dit gebied gewonnen. Bijzonder aan dit project is dat het zonder rijkssubsidie wordt gebouwd, te danken aan de huidige lage prijs van de windenergie op zee. Met die 1,5 GW worden drie miljoen huizen van stroom voorzien.

De bouw van de 152 grote 10 MW molens gaat in fases. Het eerste deel in het gebied I en II van Hollandse kust Zuid zou in 2023 gereed moeten zijn, deel III en IV start in 2022 en zou in 2027 gereed moeten zijn. Na Hollandse Kust Zuid is de capaciteit 4,5 GW. Met de realisatie wordt een deel van de gewenste capaciteit van 11,5 GW in 2030 benaderd. Dan moeten er wel nog zo’n 7 GW worden toegevoegd tussen 2024 en 2030 in het Nederlandse deel van de Noordzee.

Op de site van de RVO is een uitgebreide Engelstalige brochure over de voorbereidingen van deel III en IV, waaruit bovenstaand plaatje is genomen.

 

Windmolens en vleermuizen

27 nov

De uitbreiding en vervanging van windmolens in Duitsland stuit op allerlei problemen, zoals in een vorig artikel beschreven. Een van die kwesties is de instandhouding van de biodiversiteit, omdat windmolens nogal veel invloed hebben op dieren, met name vogels.

In een recent verschenen onderzoek* zijn vleermuizen als voorbeeld genomen om de effecten van toenemende windenergie te kunnen bepalen. In Duitsland staan nu ongeveer 30.000 windmolens op het land, en er zijn er meer gepland. Vleermuizen zijn een beschermde soort, vallend onder de Europese Habitat richtlijn. Dat er veel vleermuizen sneuvelen is al lang bekend, maar hoeveel precies en onder welke condities dat gebeurt is minder bekend. Wel is het zeker dat het niet alleen om lokale populaties gaat, maar in meerderheid om trekkende vleermuizen uit bijvoorbeeld Scandinavië, Estland en Rusland, die over Duitsland migreren. Het aantal slachtoffers varieert afhankelijk van de ligging (kust, vlak land, bos etc.) en orthografie van de locatie van de molens en loopt in een ruime range op vanaf 0-3 tot 20 per molen. Volgens een schatting zou het gaan om ongeveer 250.000 vleermuizen per jaar.

De onderzoekers hebben een breed spectrum van ruim 500 betrokkenen via een enquête benaderd en hun mening gevraagd hoe zij de problematiek van dit dilemma zouden kunnen oplossen. Het zijn de groepen die betrokken zijn bij de milieueffectrapportage van op te richten windenergieparken. Vertegenwoordigers van de windenergie sector hebben daarin zoals verwacht niet voortdurend de zelfde mening als natuurbeschermers. Het belang van de biodiversiteit wordt weliswaar onderschreven maar niet in gelijke mate. Technische oplossingen zoals uitschakelen van molens tijdens de trek, of tijdens de nachtelijke vluchten onder bepaalde meteorologische omstandigheden worden al toegepast, en die helpen blijkbaar. Daar is de windenergie sector natuurlijk niet blij mee, maar ze willen er wel aan meewerken, liefst met compensatie voor de verliezen in inkomsten. De vertegenwoordigers uit die sector vinden dan ook windenergie belangrijker dan biodiversiteit.

Op basis van de antwoorden en met verwijzing naar de wettelijke regelingen concluderen de auteurs, dat alle partijen betrokken moeten zijn om met elkaar geschikte oplossingen te vinden voor het behoud van de biodiversiteit in de planfase van windenergieparken. Omdat de situatie in de aangrenzende landen veel lijkt op de Duitse, kan dit voorstel ook daar worden overgenomen.

* Christian C. Voigt, Tanja M. Straka, and Marcus Fritze, Producing wind energy at the cost of biodiversity: A stakeholder view on a green-green dilemma, Journal of Renewable and Sustainable Energy 11, 063303 (2019); https://doi.org/10.1063/1.5118784

 

 

Te weinig ruimte voor windenergie in Duitsland

21 nov

Het Umweltbundesamt heeft in een gedegen studie (Analyse der kurz- und mittelfristigen Verfügbarkeit von Flächen für die Windenergienutzung an Land) gerekend aan de benodigde ruimte voor de ambitieuze doelstelling om tegen 2030 67-71 Gigawatt windenergie op land te installeren. Theoretisch kan dat, er zou in principe zo’n 81 GW kunnen worden geïnstalleerd tegen 2030.

Dat komt neer op 65% van de op te wekken stroom als alternatieve energie. De beschikbare gronden zijn echter in de praktijk niet voldoende om dit te realiseren. Daarnaast is het de taak van de Länder en gemeenten om geschikte terreinen aan te wijzen. Verder moet de gezondheid van de burgers in de omgeving van windmolens niet worden aangetast, om nog te zwijgen over de aantasting van de habitat van de dieren en vogels. Het gaat om zo’n 3100 km2, bijna 1% van de oppervlakte van Duitsland, met grote verschillen tussen de Länder. Tot nu toe is al de helft van de beschikbare terreinen gevuld met windmolens. Blijft in theorie nog genoeg ruimte over zou je zeggen.

Er zijn echter problemen bij de toewijzing van terreinen. Van de in 2014 aangewezen terreinen is 23% nog niet ingezet vanwege soortenbescherming, hinder voor vliegverkeer en gebleken tekort aan windkracht. 40% van de terreinen zitten in de ontwerpfase, en is nog niet beschikbaar. De geringe aanbestedingen voor windmolens van dit jaar tonen aan dat er voor de huidige plannen nu al te weinig beschikbare terreinen zijn.

En dan komt het: bij al de genoemde problemen dient zich nu de wettelijk vastgelegde afstand tot bebouwing van de windmolens aan, onder andere in de wetgeving voor de sluiting van kolencentrales (Kohleausstiegsgesetz). Die afstand bedraagt 1000 m. En dat doet al pijn bij de herbezetting van oudere terreinen en bij lopende procedures. Er wordt geadviseerd om elk project apart op zijn merites te beoordelen en daarbij alle belangen tegen elkaar te wegen.

Illustratief is de volgende grafiek (Afbeelding 2 uit UBA rapport) waarin de beschikbare oppervlakte in heel Duitsland percentueel is uitgezet tegen de afstand tot woonbebouwing en bij gemengde bebouwing. Daaruit blijkt dat bij een afstand tot de bebouwing van 1000 m al heel wat beschikbare oppervlakte afvalt, zo’n 20% respectievelijk 54%.

afbeelding 2 UBA report beschikbare terreinen voor windenergie 2030

Benieuwd hoe de Duitsers de tegengestelde belangen tussen natuur, milieu en economie gaan oplossen, wetende dat het milieubewustzijn zo sterk is verankerd in de Duitse maatschappij.

 

Klimaatwetenschap potsierlijk? Erwin Boutsma versus Marcel Crok

20 nov

Als verstokt analist is schrijver nog altijd lid van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging, de KNCV. Periodiek verschijnt het huisblad C2W van de leden dat ons op de hoogte brengt van het laatste nieuws uit de wondere wereld van de chemie.

 Hoofdredacteur Erwin Boutsma heeft in een editorial van C2W van 7 augustus 2019 een artikel geschreven over de stand van zaken in de klimaatwetenschap. Hij verhaalt over de complexiteit van zijn eigen vak de medische biologie, en trekt een parallel met de klimaatwetenschap. Daar heeft hij kennelijk nu meer exactheid aangetroffen en daarbij enige stevige opmerkingen bij gemaakt. Die zijn bij wetenschapsjournalist Marcel Crok in het verkeerde keelgat geschoten en Crok heeft commentaar gegeven dat vandaag 20 november 2019 is gepubliceerd onder https://www.c2w.nl/opinie/potsierlijke-klimaatwetenschap. De klimaatdiscussie blijft zo wel levendig. Beide teksten hieronder.

Eerst de tekst van Boutsma:

Vroeger vond ik het een belediging als anderen mijn studie medische biologie niet onder de exacte wetenschappen schaarden. Hoezo werd ik op één hoop gegooid met geschiedenis, rechten en theologie? Biologie had zijn wortels toch stevig in de – meestal vrij exacte – chemie? In bladgroenkorrels is quantum tunneling aan de gang; veel ingewikkelder natuurkunde is er niet.

Inmiddels weet ik beter. De kwalificatie ‘exact’ zegt niets over complexiteit en heeft geen esthetische waarde, en aan de biologie is vrijwel niets exact. In het lab heb ik talloze keren verbijsterd gekeken naar de uitslag van een luciferase-assay, differentiatieproef of zelfs zoiets simpels als een miniprep: waarom zie ik geen fotochemisch signaal, geen uitgroeiende neuronen en geen DNA-pellet? Ik deed de proef exact hetzelfde als de vorige keer!

Klimaatwetenschappers zitten in een vergelijkbare situatie. Ze worstelen met exacte wetenschappen als warmteleer, hydrologie, stoffysica en stromingsleer, maar de gezamenlijke uitkomst van de talloze variabelen is altijd een zeer inexacte statistische kans, een voedingsbodem voor scepsis.

In Nature en Nature Geoscience is de statistiek nu verder aangescherpt. Zelfs de verguisde hockeystickgrafiek – die de temperatuurstijging van de laatste jaren weergeeft – is weer van stal gehaald en is preciezer dan ooit. De Volkskrant kopte naar aanleiding daarvan: ‘Duidelijker wordt het niet: de klimaatverandering van nu is echt uniek.’

De tegenwerpingen van klimaatsceptici als Marcel Crok worden daarmee steeds potsierlijker. Zijn boek De staat van het klimaat uit 2010 blijft een indrukwekkend minutieus uitzoekwerk dat veel vraagtekens plaatst bij het klimaatonderzoek, maar na negen jaar is de conclusie dat de boodschap van zijn ‘tegenstanders’ aan kracht wint. Zijn kritiek op bijvoorbeeld de werking van het IPCC en het weglaten van onwelgevallige data – hoe kwalijk ook – gaat over details die de algemene tendens over de opwarmende aarde niet onderuithalen.

Klimaatwetenschap heeft bovendien een schitterend voordeel ten opzichte van bijna alle andere wetenschappen. Waar een leek de geleerde heren en dames maar op hun woord moet geloven dat de kwantummechanica echt zo spooky is als ze beweren en dat we echt geregeerd worden door een bizar spiraalvormig polymeer waarvan we miljarden kopieën hebben, kan diezelfde leek zélf ervaren dat het klimaat verandert. Veel potsierlijker nog dan Crok zijn de politici die volhouden dat er niets aan de hand is als we via de media voortdurend voorbeelden zien van ongewoon extreem weer over de hele wereld en in Europa kampen met recorddroogtes en hittegolven van nooit eerder vertoonde proporties.

Het blijft statistiek en niet exact, en daarom zullen we vast nog een keer een Elfsteden­tocht meemaken, maar dat verandert niets aan de langjarige tendens.

De waarde van ‘exact’ is ook maar relatief.

En hieronder het commentaar van Crok:

Het redactioneel ‘Exact klimaat’ (7 augustus) van hoofdredacteur Erwin Boutsma ontlokte aan Marcel Crok een reactie, die de laatste klimaatbe­vindingen ‘oude wijn in nieuwe zakken’ vindt.

Aanvankelijk legt Boutsma de vinger op de zere plek wat betreft de klimaatwetenschap. In mijn woorden: net als zijn eigen vak, de medische biologie, is klimaat te ingewikkeld om exacte wetenschap mee te kunnen bedrijven. Ik stem hartgrondig in met deze these. Maar meteen daarna stelt hij dat nieuwe klimaatstudies nu toch veel preciezer (= exacter) geworden zijn. En dan komt het: ‘De tegenwerpingen van klimaatsceptici als Marcel Crok worden daarmee steeds potsierlijker.’

Potsierlijk is dwaas of lachwekkend. Wat er lachwekkend is aan mijn tegenwerpingen komt de lezer niet te weten want die tegenwerpingen worden niet genoemd. Nu heb ik enige naamsbekendheid opgebouwd als kritisch geluid in het klimaatdebat, toch kan ik niet verwachten dat de lezer al mijn ‘tegenwerpingen’ paraat heeft. Dus daar gaan we.

Ja, de aarde is nu warmer dan in 1850 en de CO2-concentratie is gestegen door toedoen van de mens. Welk deel van de opwarming de mens veroorzaakt heeft is niet exact – want chaotisch systeem – te achterhalen. Het IPCC gelooft bijna 100 %. Ik niet; ik zou er ook geen percentage aan durven te hangen.

Hockeystick

De hockeystickdiscussie – hoe warm was het jaar 1000, toen de Vikingen naar Groenland trokken, ten opzichte van nu – blijft relevant. Boutsma verwijst naar nieuwe studies in Nature en Nature Geoscience om te constateren dat de hockeystick, die stelt dat het warmer is dan in het jaar 1000, nu preciezer is vastgesteld dan ooit. Op twitter kon Stephen McIntyre, die de oorspronkelijke hockey­stickgrafiek uit 1998 onderuithaalde, vrijwel onmiddellijk laten zien dat de ‘nieuwe hockeystick’ oude wijn in nieuwe zakken is. Steevast is het recept hetzelfde: men kiest selectief die data die het gewenste resultaat ten goede komen. Potsierlijke wetenschap.

Nog belangrijker is de vraag: is de opwarming door CO2 een probleem? U voelt hem al aankomen: dat is een vraag die niet door ‘de wetenschap’ te beantwoorden is. Het idee van ‘de klimaatcrisis’ is – net als de stikstofcrisis – het gevolg van tamelijk willekeurig bepaalde drempelwaardes die vervolgens worden overschreden in modelberekeningen. Een door ons bedachte, grotendeels virtuele crisis dus. Klimaatmodellen suggereren dat we ergens komende eeuw over de tweegradengrens heen zullen gaan.

Gaat de mensheid die ‘klimaatcrisis’ voelen? Waarschijnlijk niet. Vooralsnog nemen extremen zoals orkanen, overstromingen en droogte niet toe, is sterfte door extremen vanwege toegenomen welvaart zelfs spectaculair gedaald, stijgt de zeespiegel slechts heel geleidelijk, en nemen landbouwopbrengsten toe doordat er meer CO2 in de lucht is.

Dat deze sobere maar ook optimistische kijk op klimaatverandering vrijwel geen (openlijke) aanhang vindt onder klimaatwetenschappers, is wat de klimaatwetenschap eveneens potsierlijk maakt. Het is een volkomen gepolitiseerd vakgebied geworden waarin iedere vorm van kritiek op het CO2-verhaal het einde van een wetenschappelijke carrière kan betekenen.

Marcel Crok is chemicus, oud KNCV-lid en wetenschapsjournalist

 

Milieubewustzijn in Duitsland 1996-2016

18 nov

Dat de Duitsers een groot milieubewustzijn aan de dag leggen is wel bekend. En zoals dat hoort wordt dat regelmatig gemeten via enquêtes. In oktober 2019 is een rapport van het Umweltbundesamt verschenen met een her-analyse van deze onderzoeken vanaf 1996 tot en met 2016.

Umwelteinstellung in Deutschland von 1996 bis 2016: Eine Sekundäranalyse der Umweltbewusstseinsstudien 

Zo’n her-analyse is nodig om de uitkomsten van de verschillende enquêtes met elkaar te vergelijken. In de loop van de jaren worden immers niet altijd de zelfde vragen gesteld. Ook kleinere afwijkingen in de vraagstelling kunnen al invloed hebben. En het hangt af van de instituten die de enquêtes uitzetten.

De auteurs, onderzoekers van de universiteit Maagdenburg hebben een rekenkundig model – het Rasch model – gebruikt om de vragen en antwoorden in de 11 enquêtes op één lijn te brengen. Elk jaar werd een steekproef van ongeveer 2000 personen ondervraagd. De leeftijd van de steekproeven lag tussen de 45 en 52 jaar, met evenveel vrouwen als mannen.  Het aantal vragen bedroeg 75.

Kort over het resultaat, voor de uitgebreide achtergronden van de her-analyse wordt verwezen naar het rapport. Daartoe hoort naast het Rasch-model onder andere ook de ontwikkeling van de UBS, de Umweltbewusstseins Skala, de schaal waarmee het milieubewustzijn in procenten wordt weergegeven. Dat percentage weerspiegelt het aantal onderwerpen waarmee de gemiddelde Duitse burger instemt. Het kan ook worden gelezen als de waarschijnlijkheid waarmee een gemiddelde Duitse burger instemt met een middelzwaar onderwerp.  Interessant is eveneens de discussie over het verloop van het milieubewustzijn door de jaren.

Afbeelding 6 uit het rapport

umweltbewusstsein 1996-2016

De groene lijn met foutbalkjes per jaar geeft het verloop aan. De groene stippellijnen geven de boven- en ondergrens aan van het 99% betrouwbaarheidsinterval waarbinnen het milieubewustzijn van de Duitse bevolking zich bevindt. De blauwe lijn is de lineaire regressielijn. Die loopt tamelijk vlak (let op de schaal). Midden boven in de grafiek staat de R2 waarde van de regressie, met 0,59 niet bijster hoog te noemen en  een percentuele lineaire trend van 1,1%. 

Uit de analyse blijkt dat het milieubewustzijn in Duitsland iets gegroeid is, met ongeveer 0,5% per jaar van 50% in 1996 tot 63% in 2016. Die groei is niet lineair verlopen, maar toont een wisselende beeld van stijging en afname. Experts zijn gevraagd waaraan dat wisselende verloop kan worden toegeschreven. Dat bleek niet te liggen aan spraakmakende gebeurtenissen in de verschillende jaren, zoals rampen, klimaatconferenties en grote orkanen. Ook economische factoren spelen geen rol van betekenis, zoals het bruto binnenlands product, het aantal faillissementen tijdens de economische crisis, of de consumentenprijsindex. Wat wel invloed heeft gehad is notabene het instituut dat in bepaalde jaren de enquêtes heeft doorgevoerd. Dat waren er in totaal vijf, en de verschillen in stijging en daling kunnen mogelijk deels worden toegeschreven aan interne verwerkingsmethoden bij die instituten. Dat effect moet in komende enquêtes worden opgeheven.

Vergelijkbare enquêtes in Nederland zijn schrijver onbekend. (Natuur & Milieu geeft terug: Sorry, we kunnen op dit moment geen matchende resultaten vinden voor ‘milieubewustzijn’). Wel worden binnen Europa regelmatig enquêtes gehouden naar de opstelling van de burgers ten opzichte van het milieu. Maar deze Eurobarometers bevatten andere soorten vragen dan in de Duitse enquêtes. Een vergelijking met het bovenstaande lijkt daarom ondoenlijk. In de laatste Eurobarometer 264 over milieu van 2017 zijn de verschillen tussen de scores van Duitsers en de gemiddelde scores over de 28 lidstaten klein.