Hernieuwbare energie in Nederland: status quo

27 Jan

Update 5 februari 2018:

Je kunt de hieronder volgende informatie ook anders brengen…..Zondag met Lubach over groene energie: https://t.co/n0AMxb5Cvu

share of energy from renewable sources in the EU-MS

Het aandeel hernieuwbare energie in Nederland blijft ver achter op de doelstellingen en al helemaal in vergelijking met de andere 27 EU lidstaten. Dat is onderzocht door Eurostat op basis van gegevens die de lidstaten aanleveren conform de Europese richtlijn 2009/28/EU over de bevordering van energiegebruik uit hernieuwbare bronnen.

Een overzicht van de data op Europees niveau geeft zo een eenduidige set, op basis van dezelfde definities. En Nederland scoort dus slecht, zoals bovenstaande grafiek laat zien. Op Luxemburg na zijn we de slechtste leerling, nog ver verwijderd van de EU doelstelling voor 2020, en die ligt op 20%. Voor Nederland ligt die target op 14% van het energiegebruik. Landen met weinig goedkope natuurlijke bronnen voor hernieuwbare energie, zoals Nederland, hebben een lagere doelstelling, wel bindend vastgelegd in het Nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen, ook voortvloeiend uit de genoemde richtlijn. Alle lidstaten hebben zo’n actieplan gemaakt.

In het Nationaal actieplan (2009) staan per sector de doelstellingen die moeten bijdragen om die 14% in 2020 te halen. Het CBS houdt bij hoe de bijdragen aan hernieuwbare energie zich ontwikkelen.

Uit de CBS-rapportage over 2015:

“Het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik is in 2015 met 0,3 procentpunt gestegen ten opzichte van 2014. In 2015 was 5,8 procent van het energieverbruik afkomstig uit hernieuwbare bronnen.…..De meeste hernieuwbare energie, namelijk 70 procent, komt uit biomassa en 20 procent uit windenergie. De bijdrage van andere bronnen als waterkracht, zonne-energie, bodemenergie en warmte uit de buitenlucht, is beperkt.”

Het berekenen van de hernieuwbare energie gebeurt via het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO.nl en CBS, 2015). Het protocol kent drie berekeningsmethoden, waarvan de primaire-energiemethode wordt gebruikt voor de rapportages van Eurostat.  Alle betrokken instanties berekenen de verschillende bijdragen conform dezelfde rekenmethoden uit dat protocol, en die sluiten aan bij Europese aanbevelingen. Zo wordt bijvoorbeeld het energieverbruik van houtkachels op een uniforme wijze met een enquête geschat met een frequentie van eenmaal per 6 jaar. Voor de tussenliggende jaren doet TNO een modelberekening. De bijdrage van huishoudelijke houtstook komt overigens voor 2015 uit op rond 12%, en vormt daarmee overigens een belangrijke bijdrage.

aandeel renewables inland energy consumption

(2) The category “Biofuels and renewable wastes” includes wood and solid biofuels, liquid biofuels, biogas and renewable wastes

Uit het overzicht van Eurostat valt nog meer te leren. In de vergelijking tussen Nederland en het gemiddelde van de 28 EU-lidstaten blijkt waar we nog tekort schieten. De volgende afbeeldingen zijn afgeleid uit de achterliggende spreadsheet van Eurostat.

Share of electricity from renewable sources in gross electricity consumption,2004-2016 in %Share of renewable energy sources in transport,

Share of energy from renewable sources in gross final consumption of energy, 2004-2016 in %

Het aandeel van hernieuwbare energie uitgedrukt in aandeel van hernieuwbare bronnen in het elektriciteitsverbruik ligt belangrijk lager dan het Europees gemiddelde, 12,5 % tegen 29,6 % voor 2016, en mist deels de groeiende trend van de laatste. In de transportsector lijken we de Europese ontwikkeling te volgen, zij het iets minder in de laatste jaren. Voor wat betreft het totale energieverbruik volgt de Nederlandse trend die van het EU28-gemiddelde, zij het eveneens op grote afstand.

De grote achterstand kan niet eenvoudig worden ingelopen. In de Energieagenda van het Energieakkoord van de rijksoverheid staat hoe men denkt de doelstellingen van 2020 en 2050 te bereiken. Onder andere via het hernieuwen van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) door een injectie van 6 miljard, waarmee onder meer gekeken wordt naar de discutabele CO2 opslag.

Rutte III komt dit jaar nog met een nadere uitwerking. Erg vertrouwenwekkend is het beeld van de status en van de plannen echter niet, en dat beklijft.

Advertenties

« La République n’a pas besoin de savants ni de chimistes » 

19 Jan

Update 21 Januari 2018: 

Mooi aansluitend een artikel van Robbert Dijkgraaf in NRC van 19 Januari.

Aldus de beruchte apocriefe uitspraak van de Franse revolutionair en later rechter van het Tribunal Revolutionnaire Jean-Baptiste Coffinhal tijdens processen tegen de Fermiers General, een apart belasting heffend orgaan voor de Franse koning. Hij zei dat tegen een van de leden van dat orgaan Antoine Lavoisier, eminent geleerde, filosoof, econoom en algemeen beschouwd als vader van de moderne chemie. Lavoisier werd door Coffinhal ter dood veroordeeld en onthoofd met de guillotine, een lot dat Coffinhal – goede vriend van Robespierre overigens – drie maanden later met hem deelde.

In de Brexit campagne was Michael Gove –  nu Brits minister van milieu – degene die vergelijkbare uitspraken deed over experts; “We don’t need experts”, en “A post-Brexit Britain, we must hope, will be free of experts, and their insidious expertise.” (Telegraph, 10 juni 2016). Onder de Leave stemmers sloeg die houding wel aan. Onder deze pro-Brexit kiezers is wantrouwen van experts breed aanwezig.

In die tijd – en nog steeds – verzetten zich Britse deskundigen op een breed scala van gebieden tegen de Brexit, waarvan de gevolgen zwaar negatief werden en worden ingeschat. Maar die boodschap is niet welkom. De populisten hebben een hekel aan experts, behalve aan hen die ze voor hun politieke karretje kunnen spannen, of dat nou economen zijn of juristen. Autoritaire leiders idem,

En Trump voegt zich naadloos in dit beeld. Dat hij een hekel heeft aan wetenschappers is bekend, daar heeft hij ook goed mee gescoord als populist. Ook de benoeming van Pruitt als directeur van de EPA straalt dedain uit tegenover wetenschappers. Een jaar aan de macht en hij heeft nog steeds geen wetenschappelijk adviseur benoemd. Er is een apart bureau in het Witte Huis, dat zich bezig houdt met wetenschappelijke ondersteuning van de president, het White House Office of Science and Technology Policy, ingesteld in 1976.

Tot nu toe is er dus nog geen directeur voor dit bureau benoemd. Onder vorige presidenten waren dat als regel vooraanstaande geleerden, nogal eens fysici. Zij adviseren “evidence based”, ook als dat dwars ingaat op politieke voorkeuren. Het is de vraag of Trump zijn aanval op de ziekteverzekeringen, het opzeggen van het nucleaire akkoord met Iran, of de terugtrekking uit het Parijse klimaatakkoord had doorgezet als die adviseurspost was bezet. Nu figureert er een bankier zonder technologische achtergrond als vervanger. Helemaal griezelig wordt het als je bedenkt, dat Trump in zijn eentje zit te spelen met zijn grotere “nuclear button”, zonder enig besef wat een nucleair conflict betekent.

 

De KNAW over replicatieonderzoek

17 Jan

De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences) heeft zojuist een rapport “Replication studies – Improving reproducibility in the empirical sciences” uitgebracht over het systematisch herhalen van onderzoek van anderen, het repliceren van onderzoek met zoveel mogelijk dezelfde methoden en onder vergelijkbare omstandigheden. Het is een Engelstalig rapport met een Nederlandse samenvatting. Volgens de KNAW dient replicatieonderzoek normaler te worden.

Het herhalen van eerder onderzoek – liefst niet letterlijk, maar met een toegevoegde waarde – scoort nog steeds slecht. Liever blijft men gedreven door de usances van de tak van wetenschap, de publicatiedruk, gebrek aan waardering en financiën maar sleutelen aan nieuw onderzoek, dat vaak een snippertje kennis toevoegt aan bestaande kennis. In zoverre sluit dit onderwerp goed aan bij  het laatste blogartikel over kennis en wetenschap.

Citaat uit KNAW persbericht over het rapport:

“Wetenschappelijke kennis bouwt voort op eerdere resultaten. De laatste tijd echter blijkt dat veel eerdere resultaten in onder andere de medische wetenschappen, de levenswetenschappen en de psychologie niet gereproduceerd kunnen worden. Zwakke onderzoeksmethodes, gebrekkige verslaglegging en perverse prikkels zorgen er regelmatig voor dat twee dezelfde onderzoeken toch tot verschillende resultaten leiden. Zulk niet-reproduceerbaar onderzoek belemmert de wetenschappelijke vooruitgang en leidt tot verspilling van onderzoeksgelden. Bovendien kan het erin resulteren dat patiënten geen goede behandeling krijgen.”

Het beeld van reproduceerbaarheid van onderzoeken in deze takken van wetenschap is dramatisch slecht (Table 1 in rapport). Die situatie moet verbeteren en daarvoor doet de KNAW een aantal aanbevelingen naar onderzoekers, vakbladen en subsidieverleners. Citaten uit de conclusies van het rapport:

  • Improve study methods

Researchers should conduct research more rigorously by strengthening standardisation, quality control, evidence-based guidelines and checklists, validation studies and internal replications. Institutions should provide researchers with more training and support for rigorous study design, research practices that improve reproducibility, and the appropriate analysis and interpretation of the results of studies.

  • Improve study reporting

Funding agencies and journals should require preregistration of hypothesis-testing studies. Journals should issue detailed evidence-based guidelines and checklists for reporting studies and ensure compliance with them. Journals and funding agencies should require storage of study data and methods in accessible repositories.

  • Create proper incentives

Journals should be more open to publishing studies with null results and incentivize researchers to report such results. Rather than reward researchers mainly for ‘high impact’ publications, ‘innovative’ studies and inflated claims, institutions, funding agencies and journals should also offer them incentives for conducting rigorous studies and producing reproducible research results.

  • Improve information-sharing

The above recommendations on study reporting also hold for replication studies: funding agencies should require preregistration of hypothesis-testing studies, and journals should issue reporting guidelines and require repositories for data and methods.

  • Improve know-how

Researchers should share best replication practices and the resources (e.g. methods, software, materials, samples, detailed analysis plans) required to conduct a particular replication study. Institutions should teach researchers how to design replication studies and assess reproducibility.

  • Create better incentives

Funding agencies should increase funding for replication studies (e.g. by setting up programmes that allocate money specifically to replication studies and by requiring researchers to include replication in their individual proposals). Journals should encourage the submission of replication studies. Institutions should properly credit replication studies in career evaluations.

Dit rapport van de KNAW sluit ook aan bij de visies van andere wetenschapsorganisaties, zoals de National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine, om meer openheid in wetenschappelijk onderzoek te bevorderen. Maar zoals opgemerkt tijdens een discussie over het rapport, kan dat best nog veel moeite kosten, omdat met name oudere hoogleraren – de zilverruggen in de wetenschap – daar moeite mee zouden hebben.

Nieuwe kennis dient de wetenschap

10 Jan

Update 14 januari 2018: zie ook artikel in ScienceGuide

Het cliché moet af en toe worden herhaald. Vandaag promoveert Gilles de Hollander aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar de structuur van de subthalamische nucleus (STN) in het brein, behorend tot de basale ganglia die een belangrijke rol spelen bij de controle van beweging en het nemen van snelle, perceptuele beslissingen. Men neemt vrij algemeen aan dat de STN bestaat uit drie delen: een associatief, een motorisch en een limbisch deel. De Hollander deed zijn onderzoek met een hoge resolutie, zeer gevoelige MRI-scanner.

In de samenvatting van zijn proefschrift “Understanding the Human Subcortex Using Ultra-High Field MRI and Computational Cognitive Models” is beschreven hoe het onderzoek is verlopen.

Aan het eind van de samenvatting komt de Hollander tot de conclusie, dat de breed aangenomen opvatting dat er drie anatomisch te onderscheiden delen bestaan van de STN niet correct is. En dat is een kleine aardverschuiving in deze tak van wetenschap, omdat het beeld van de structuur praktisch een dogma is geworden in de loop van de tijd. Veel verschijnselen, zoals onderlinge beïnvloedingen van de hersendelen onder andere gebaseerd zijn op die driedeling in de STN structuur, waaronder de bijwerkingen van deep brain stimulatie. De Hollander pleit dan uiteindelijk voor een andere functionele beschrijving van de STN.

Mooi, maar wat heeft dat met de klimaatdiscussie te maken?

In zijn onderzoek weerspiegelt zich de ontwikkeling van wetenschap. Een ooit aanvaarde hypothese wordt op den duur een betonnen dogma, dat nauwelijks wijkt voor nieuwe kennis. Het is voor aankomende wetenschappers dan ook veilig om binnen de grenzen van het dogma te blijven. Dat verschaft in ieder geval uitzicht op een eigen onderzoek met bijbehorende publicaties en een fraai cv. Buiten de dogmagrenzen wordt het moeilijk om een onderzoek van de grond te krijgen. En omdat er vaak veel belang en prestige is gemoeid met het aanhangen van bepaalde ideeën, maakt een dergelijke paradigma shift, een geheel ander beeld, pas kans, nadat de protagonisten van de oude theorie letterlijk zijn overleden. Een schrale troost.

De Hollander kon gebruik maken van een Ultra-High-Field MRI scanner, en die nieuwe methode heeft de wetenschap nieuwe kennis opgeleverd.  Wetenschap is alleen gebaat met nieuwe kennis en totdat die vrijkomt is het verstandig om te erkennen dat de bestaande kennis niet het einde betekent. Andere theorieën en geluiden serieus nemen en de ruimte gunnen, en uiteraard binnen de kaders van een fatsoenlijke wetenschappelijke discussie pareren, als dat kan.

 

 

Weer eens: het verdroogde Poopó-meer

9 Jan

Volop in recente publicaties: het Poopómeer in Bolivia is uitgedroogd, en dat wordt uiteraard toegeschreven aan de klimaatopwarming. Een herhaling van eerdere berichten, zoals beschreven op dit blog in januari 2016: “Het verdwenen Poopómeer in Bolivia”. Daar is aangegeven wat de redenen kunnen zijn van de droogvalling van het meer. Lees de huidige rage bij:  “A sad story from Bolivia shows the peril of reading the news“.

Trump en de neergang van de EPA – vervolg 7

22 Dec

De door Trump aan het hoofd van de EPA aangestelde Scott Pruitt heeft zich braaf aan zijn opdracht gehouden. In alle kantoren van de EPA, ook in de regionale, wordt gesneden in het personeelsbestand. Door republikeinen afgedwongen bezuinigingen werd onder Obama al bezuinigd op personeel, en Trump doet daar nog een schep bovenop, meer dan 700 zijn er al verdwenen in dit eerste Trump jaar.

Dat is ongeveer een kwart van de geplande inkrimping (~3200) en ongeveer 20% van de totale bezetting. Veel wetenschappers, technici en juristen verlaten de dienst en daarmee gaat veel unieke kennis verloren, omdat de lege plekken niet worden opgevuld, met uitzondering van het kantoor van baas Pruitt. Dat is het enige bureau dat groeit. Medewerkers gaan met name weg omdat de werksfeer is verpest: “poor morale and a sense of grievance”. Ze nemen ontslag, gaan met pensioen, of maken gebruik van een regeling.

Dit en meer achtergrond in een artikel van de New York Times van vandaag 22-12-2017.

 

Bekroning film “The uncertainty has settled” van Marijn Poels

25 Nov

Op dit blog is al eens geattendeerd op de documentaire “The uncertainty has settled” van Marijn Poels.  In de film stelt hij kritische vragen bij de ontwrichtende inzet van hernieuwbare energie op het Duitse platteland en daaraan gekoppelde vragen over het klimaatbeleid. Nu is er een derde prijs toegevoegd aan zijn palmares. Eerder won hij een prijs in Berlijn en Los Angeles. Nu is de documentaire bekroond in het Paris Independent Film Festival in de categorie Best Documentary Feature. Daar werd de film vertoond op 18 november.

Op 18 oktober werd de film vertoond aan het Europees Parlement in Brussel. Hij wordt op dit moment niet in cinema’s vertoond maar kan worden gehuurd via Vimeo.